Begroting 2020

Financiële positie

Uitgangspunten begroting 2020 en meerjarenraming

Uitgangspunten begroting 2020 en meerjarenraming

Bij de begrotingsopstelling van 2020 wordt uitgegaan van het bestaand beleid zoals geformuleerd in de (meerjaren)begroting 2019. Er vinden bijstellingen plaats op grond van volumeaanpassingen in relatie tot de autonome ontwikkelingen van de stad. Het kan dan gaan om aanpassingen aan de uitgavenkant en aanpassingen aan onze inkomstenkant. Ook vindt in de begroting een actualisatie plaats van het prijspeil. De (meerjaren)begroting 2020 wordt uitgedrukt in verwachte prijzen van 2020. Dit betekent dat een volledig nieuw financieel document ontstaat. Hieronder geven we de financiële kaders weer, waarbinnen wij onze begroting opstellen.

Loonkostenontwikkeling

Het loonkostenniveau is gebaseerd op de huidige cao, de salaristabellen vanaf januari 2018. Voor de cao-ontwikkelingen in de periode januari 2019 t/m december 2020 hebben wij rekening gehouden met een loonstijging van 2% per 1 januari 2019, 1% per 1 juli 2019 en 2% per 1 januari 2020.

Het gemiddelde percentage sociale lasten is 29,42% (primitieve begroting 2019 28.96%). Het loonkostenniveau in de begroting 2020 komt daarmee 2,87% hoger uit dan in de primitieve begroting 2019.

Loonkostenontwikkeling gesubsidieerde sectoren

Vanaf 2000 wordt met betrekking tot de loonontwikkeling het indexcijfer “ontwikkeling contractloon marktsector” toegepast. De percentages zijn overgenomen zoals in de CEP 2019 (maart 2019), raming voor 2019 en 2020 vermeld.

Voor de gesubsidieerde sector leidt het vorenstaande en de gangbare systematiek tot het volgende uitgangspunt:

Correctie voorgaande jaren

- 0,85%

Algemene loonontwikkeling 2020

+ 2,30%

Totaal

+ 1,45%

Prijsontwikkeling

Doorwerking voorgaande jaren

- 0,40%

2020

+ 1,40%

Totaal

+ 1,00%

Het percentage voor 2020 is overgenomen uit de CEP 2019 (maart 2019), raming voor 2019 en 2020.

Prijsontwikkeling gesubsidieerde sectoren

Voor alle subsidies (niet-betreffende de subsidies loonkosten) geldt dat de prijsontwikkeling 2020 gevolgd kan worden (inclusief correctie voorgaande jaren), de toegestane indexering bedraagt dus 1,00 %.

Renteontwikkeling

Sinds 2018 worden rente-inkomsten op leningen meegenomen in de berekening van het omslagpercentage. In 2020 hanteren we hetzelfde niveau als in 2018 en 2019, namelijk 0,5%.

Tariefontwikkeling belastingen en heffingen

Ook in het nieuwe bestuursakkoord is afgesproken dat de woonlasten niet meer zullen stijgen dan met een inflatiecorrectie. Ook de onroerendezaakbelasting voor ondernemers zal niet meer stijgen dan de inflatiecorrectie.
De onroerendezaakbelasting voor 2020 stijgt met 1,94%, dit is het gewogen gemiddelde van de loon- en prijsontwikkeling (resp. 2,87% en 1,0%).
Voor de afvalstoffenheffing en de rioolheffing wordt uitgegaan van 100% kostendekking. Bij de berekening van deze tarieven blijven we uitgaan van 2% rentetoerekening aan de betreffende activa. We sluiten hierbij aan op de gemiddelde rentelast van onze langlopende leningen.

Uitgangspunten meerjarenraming 2021-2023

Voor de jaren 2021 tot en met 2023 is uitgegaan van een constant loon- en prijsniveau met als basis het niveau zoals opgenomen in de begroting 2020. We gaan ervan uit dat de loon- en prijsontwikkeling in de uitgaven zo nodig gecompenseerd wordt. Dat wil zeggen:

  • compensatie van algemene salarismaatregelen en prijscompensatie via de algemene uitkering uit het gemeentefonds (als onderdeel van het zogenaamde accres) en overige rijksvergoedingen;
  • Verhoging van tarieven, rechten en heffingen met het inflatiepercentage, uitgaande van 100% kostendekking voor afvalstoffenheffing en rioolrechten. Uitgaande van constante lonen en prijzen zijn in de jaarschijven 2021, 2022 en 2023 de eerder genoemde verhogingen van inkomsten uiteraard niet meegenomen. In het investeringsplan 2020-2023 is rekening gehouden met een jaarlijks rentepercentage van 0,5%.

N.B.
Het doel van de meerjarenraming is onder meer inzicht te krijgen in de financiële ontwikkeling van de gemeente in meerjarig perspectief. Aan de meerjarenraming als zodanig kunnen door derden geen rechten worden ontleend.